Wat veranderd is

Homs

Ze liepen in groepjes van twee of drie over de esplanade van het Noordstation. Jonge mannen met warme anoraks aan, sommigen met kleine rugzakken om. Ik kom niet vaak in Brussel-Noord. Het zicht was me nog niet vertrouwd. Misschien keek ik daarom aandachtiger. Het was tegen de tijd dat de overheidsgebouwen hun deuren sloten. Meerdere tientallen van die groepjes waren het. Ze kwamen allemaal uit dezelfde richting. Ze hadden papieren bij, sommigen een brief, sommigen een smalle strook.

Op de esplanade werden ze opgewacht. Je zag het als je goed keek. Elk twee- of drietal werd opgewacht door een man die precies op hen leek. Groepjes van twee werden groepjes van drie. Het waren geen toevallige ontmoetingen. De mannen die allemaal uit dezelfde richting kwamen, haalden hun papieren boven. De mannen die hen opwachtten, lazen de papieren en gaven instructies.

Wat ze zeiden weet ik niet, ze spraken een taal die ik niet versta. Maar het zag er georganiseerd uit. Overal: op de esplanade, in het station, op het perron, die groepjes van jonge mannen, en altijd eentje erbij die aanwijzingen gaf. Ik probeerde hun gezichten te lezen. Ik zag geen hoop of wanhoop, ik zag vastberadenheid.

Ik weet niet wat ik precies zag gebeuren. Natuurlijk dacht ik onwillekeurig aan wat op nieuwjaarsnacht in Keulen gebeurde. Maar iets dergelijks leek me hier niet aan de orde, het draaide daar bij het Noordstation om die papieren. Misschien maakten de mannen die ik er zag deel uit van een netwerk van mensensmokkel. Misschien was het gewoon een vorm van zelforganisatie van mensen die naar ons land gekomen zijn in de hoop hier een bestaan te kunnen uitbouwen. En de vraag is of het dan wel zo’n goede zaak is, als we hen geen andere optie geven dan zichzelf te organiseren.   Wat ik weet is dat deze mensen grote moeite hebben gedaan om naar hier te komen. En wat zullen ze hier vinden?

Lees verder