Wat veranderd is

Homs

Ze liepen in groepjes van twee of drie over de esplanade van het Noordstation. Jonge mannen met warme anoraks aan, sommigen met kleine rugzakken om. Ik kom niet vaak in Brussel-Noord. Het zicht was me nog niet vertrouwd. Misschien keek ik daarom aandachtiger. Het was tegen de tijd dat de overheidsgebouwen hun deuren sloten. Meerdere tientallen van die groepjes waren het. Ze kwamen allemaal uit dezelfde richting. Ze hadden papieren bij, sommigen een brief, sommigen een smalle strook.

Op de esplanade werden ze opgewacht. Je zag het als je goed keek. Elk twee- of drietal werd opgewacht door een man die precies op hen leek. Groepjes van twee werden groepjes van drie. Het waren geen toevallige ontmoetingen. De mannen die allemaal uit dezelfde richting kwamen, haalden hun papieren boven. De mannen die hen opwachtten, lazen de papieren en gaven instructies.

Wat ze zeiden weet ik niet, ze spraken een taal die ik niet versta. Maar het zag er georganiseerd uit. Overal: op de esplanade, in het station, op het perron, die groepjes van jonge mannen, en altijd eentje erbij die aanwijzingen gaf. Ik probeerde hun gezichten te lezen. Ik zag geen hoop of wanhoop, ik zag vastberadenheid.

Ik weet niet wat ik precies zag gebeuren. Natuurlijk dacht ik onwillekeurig aan wat op nieuwjaarsnacht in Keulen gebeurde. Maar iets dergelijks leek me hier niet aan de orde, het draaide daar bij het Noordstation om die papieren. Misschien maakten de mannen die ik er zag deel uit van een netwerk van mensensmokkel. Misschien was het gewoon een vorm van zelforganisatie van mensen die naar ons land gekomen zijn in de hoop hier een bestaan te kunnen uitbouwen. En de vraag is of het dan wel zo’n goede zaak is, als we hen geen andere optie geven dan zichzelf te organiseren.   Wat ik weet is dat deze mensen grote moeite hebben gedaan om naar hier te komen. En wat zullen ze hier vinden?

De Iraaks-Nederlandse schrijver Rodaan Al Galidi, bouwkundig ingenieur van opleiding, ontvluchtte zijn land om de dienstplicht te ontwijken. Hij zwierf zeven jaar over de wereld, kwam in Nederland terecht en verbleef daar negen jaar in een asielzoekerscentrum. Negen jaar. Een bestaan zonder mogelijkheden. Wat dat met een mens doet lees je in zijn recente roman: ‘Hoe ik talent voor het leven kreeg’. Het is niet zijn eerste boek, hij schreef er vijftien intussen, romans en dichtbundels, waarvan zeven in het asielzoekerscentrum.  In het Nederlands, een taal die hij zich grotendeels zelf aanleerde. Je moet uit speciaal hout gesneden zijn om dat te doen. Schrijven als houvast. Het is niet iedereen gegeven.

In het kleine dorp vlak bij mijn huis woont een jonge Rwandese vrouw met haar dochter. In haar thuisland behaalde ze een universitair diploma sociologie. Ze woont hier al drie jaar in een klein appartement dat ze deelt met telkens weer nieuwe vrouwen met kinderen. Al drie jaar wacht ze op een verblijfsvergunning. Ook zij is veroordeeld tot nietsdoen. Ze zegt: ik heb een diploma maar ik weet niet of ik nog in staat ben na te denken. Het is een trotse, intelligente vrouw. Ze zou graag hier weer naar de universiteit gaan. Maar ze is Franstalig en werd door Fedasil in een klein Vlaams dorpje neergepoot. Ze kan overdag niet ver weg want ze heeft een kind naar school te brengen en er is hier nauwelijks openbaar vervoer.

De vrouw uit Nigeria die sinds december het appartement met haar deelt heeft twee kleine kinderen. Ze spreekt over ‘het kamp’ als ze het over het opvangcentrum voor vluchtelingen heeft. Ze moest er weg omdat er een grote groep Afghaanse mannen was toegekomen. Ze mist het kamp. Daar had ze gezelschap. En taken. Vooral dat. ‘Alles deed ik’, zei ze me, ‘helpen in de keuken, de toiletten schrobben.  Ik was er nuttig. Hier ben ik niets. Ik wil werken.’ Dat laatste zei ze bijna wanhopig. ‘Ik hoef er zelfs geen geld voor, ik heb niet veel nodig. Ik wil nuttig kunnen zijn.’

Sinds ze hier woont hebben mensen uit het dorp, vriendelijke mensen, haar spullen gebracht. Kleren en speelgoed voor de kinderen. Maar ze wil niets meer. Ze weet niet voor hoe lang ze hier zit en ze wil licht kunnen reizen als ze weer moet opkrassen. Haar hoop ligt bij de kinderen. ‘In Nigeria zouden ze straatboefjes worden’, zegt ze. ‘Mijn zoon zou al snel een geweer in handen krijgen.’

Deze vrouwen hebben onderdak en eten. Maar ze hebben geen leven. Hun appartement is altijd kraaknet, het poetsen is het enige wat ze kunnen doen. ‘Ik word hier gek als ik niet méér om handen heb’, zegt de Nigeriaanse vrouw. Maar ze heeft kinderen en daarom wacht ze gelaten.

De jonge mannen die ik aan het Noordstation zag hebben geen kinderen bij. Ze zijn met velen. Ze zullen niet gelaten wachten, zoals Rodaan Al Galidi al die jaren wachtte.  En als we ons niet organiseren om ervoor te zorgen dat hun verblijf hier meer is dan een wachtlokaal, als we hen niet meer bieden dan onderdak en verveling, zou het wel eens akelig kunnen uitdraaien.

Het gaat al lang niet meer om de vraag of we ze met open armen moeten ontvangen of niet. We kunnen bezwaarlijk zeggen dat we dat doen. Het gaat erom dat we iets moeten doen met het potentieel dat ze met zich meebrengen. We kunnen niet zomaar wegkijken en denken: we doen genoeg, laat ze hun plan maar trekken. Of denken: zodra de oorlog voorbij is sturen we ze terug. Wanneer is de oorlog voorbij? En wat hebben ze om naar terug te gaan? ‘We hebben nog zeker dertig jaar nodig om in Irak een goede maatschappij op te bouwen’, vertelde Rodaan Al Galidi me in 2006. In Syrië en in Afghanistan, waar nu de grootste groepen vluchtelingen vandaan komen zal het niet anders zijn. Het volstaat om naar beelden van de Syrische stad Homs te kijken om te zien dat er niets is om naar terug te keren.

Dit is geen wij en zij-verhaal. En we moeten er tegen elke prijs voor zorgen dat het geen wij en zij-verhaal wordt.  We delen dezelfde wereld. De grenzen waarmee wij hier dachten ons geprivilegieerde leven te beschermen, functioneren niet meer. We leven in een andere realiteit vandaag, maar als slaapwandelaars houden we onze ogen gesloten.

Het wordt tijd om wakker te worden en te zien wat er veranderd is. Wat veranderd is, is dat we niet langer meer kunnen doen alsof de oorlog, en zijn oorzaken en zijn gevolgen, ver weg zijn. We gaan er niet komen met een beetje halfslachtige medemenselijkheid. Met oude kleren en schoenen naar asielcentra brengen.

We moeten er voor zorgen, en zo snel mogelijk, dat de mensen die naar hier komen een waardig bestaan kunnen uitbouwen.  We zullen eisen moeten stellen en offers moeten brengen, ook al weten we nu nog niet goed welke dat zijn. We zullen ons heel goed moeten beraden over wat we essentieel vinden in onze samenleving. We zullen bereid moeten zijn om met wijd open ogen in het duister te tasten, in plaats van zoals nu, met de ogen dicht, te denken dat we nog steeds het licht zien.

Het is geen kwestie van barmhartigheid, het is een kwestie van vooruitdenken.

 

In 2006 interviewde ik voor MO* Rodaan Al Galidi, toen hij nog geen verblijfsvergunning had. Het interview kan u hier lezen. 

Advertenties

Het woord aan jou

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s